Naar de inhoud
eendraadschema-maken.be Naslagwerk

Naslagwerk

Het eendraadschema: lezen en opstellen

Een eendraadschema tekent een elektrische installatie als een stamboom: één lijn van de aansluiting naar de verdeelkast, en vanuit de verdeelkast één lijn per kring tot bij het laatste stopcontact of lichtpunt. Dit naslagwerk legt uit wat er op zo'n schema staat, hoe je de aanduidingen leest en hoe je het zelf opstelt. Je kan het van voor naar achter lezen of er gericht in opzoeken.

Uitgegeven door SUPCON BV · herzien op

Eerste blad van een eendraadschema: links de aansluiting met teller en hoofdautomaat, daarna differentieel A van 300 mA en de verlichtingskringen A tot D met hun genummerde punten.
Blad 1 van het hoofdbord in het voorbeelddossier van dit naslagwerk (een villa, fictieve gegevens). Van links naar rechts: aansluiting, algemene differentieel en de verlichtingskringen A tot D.

Blad 1 op ware grootte openen (WebP, 2000 pixels breed), handig op een gsm om in te zoomen.

Het schema in één blik

Op een eendraadschema stelt elke lijn een volledige leiding voor. Een kring met fase, nul en aarding is in werkelijkheid een kabel met drie geleiders, maar op het blad trek je er één lijn voor. Hoeveel geleiders er werkelijk lopen, schrijf je erbij. Zo blijft een woning met dertig kringen leesbaar op een handvol bladen.

Het schema lees je in twee richtingen. Horizontaal loopt onderaan de voedingsrail: links de aansluiting met de teller, daarna de hoofdschakelaar en de differentiëlen, en vandaar naar rechts de automaten. Verticaal vertrekt boven elke automaat een kring: een lijn naar boven waarop elk toestel als een korte aftakking staat, met zijn symbool en zijn nummer. Wie wil weten wat er achter een automaat hangt, volgt die verticale lijn. Wie wil weten waarom een kring uitvalt, volgt de lijn naar beneden en dan naar links, tot aan de differentieel en de hoofdschakelaar.

Naast de lijnen staat de informatie die een keurder en een collega nodig hebben: het kaliber en de karakteristiek van elke automaat, het aantal polen, het kortsluitvermogen, de gevoeligheid en het type van elke differentieel, en bij elke kring de kabel met zijn type, aantal geleiders en sectie, en de brandklasse als die gekend is. In het voorbeeld hierboven lees je bij kring A bijvoorbeeld XVB Cca 3G1.5 mm² langs de lijn en C16A · L1 en 2P · 3kA aan de voet.

De lagen van een eendraadschema
LaagWat je zietWaar op het blad
AansluitingTeller, beveiliging van de aansluiting, voedingskabel, aardingUiterst links, onderaan
HoofdschakelaarSchakelt de hele installatie; vaak is de algemene differentieel tegelijk de hoofdschakelaarDirect na de aansluiting
DifferentiëlenAlgemene differentieel en de groepen van 30 mA, elk met een eigen codeOp of onder de voedingsrail
AutomatenEén per kring, met kaliber, karakteristiek, polen en faseAan de voet van elke kring
KringenEén verticale lijn per kring, met naam en kabelaanduidingBoven de automaten
UitgangenStopcontacten, lichtpunten, schakelaars en toestellen, elk met een puntnummerAls aftakkingen op de kring

Een installatie past zelden op één blad. Dan loopt de voedingsrail door naar het volgende blad, met een pijl als gaat verder op blad 2 aan het einde en vervolg van blad 1 aan het begin. Een onderverdeelbord, bijvoorbeeld in de kelder of een bijgebouw, krijgt meestal een eigen deel met een eigen kop: op het hoofdbord staat het als een kring met een voedingsautomaat, op zijn eigen blad met zijn eigen differentiëlen en kringen. Onderaan elk blad staat een titelblok dat zegt voor welke woning het schema is, wie het opstelde en wanneer.

Het eendraadschema hoort samen met het situatieschema bij het dossier van een woning. Het situatieschema is het grondplan waarop je ziet waar elk toestel zit. Wat de twee verbindt, zijn de codes: de letter van de kring en het nummer van het punt staan op beide schema's. Dat verband werkt hoofdstuk 5 uit.

Snel opzoeken

Je ziet een aanduiding op een schema en wil weten wat ze betekent. Links wat er op het blad staat, rechts het hoofdstuk waar het uitgewerkt wordt.

Op het bladBetekenisMeer in
300mA · Type A · S Algemene differentieel van 300 mA, type A, selectief (vertraagd). Hoofdstuk 3
30mA · Type B Differentieel van 30 mA die ook gladde gelijkstroom-lekstromen ziet, bijvoorbeeld voor een laadpaal. Hoofdstuk 3
C16A Automaat met karakteristiek C en een kaliber van 16 A. Hoofdstuk 2
· L2 De kring hangt aan fase L2 van een driefasige installatie. Hoofdstuk 2
2P · 3kA Tweepolige beveiliging met een kortsluitvermogen van 3 kA. Hoofdstuk 2
XVB Cca 3G2.5 mm² Mantelkabel XVB, brandklasse Cca, drie geleiders waarvan één groen-geel, elk 2,5 mm². Hoofdstuk 2
VOB Eca 4×10 mm² Enkele aders VOB, klasse Eca, vier geleiders zonder beschermingsgeleider, elk 10 mm². Hoofdstuk 2
Schuine streep met een 3 Hoeveel geleiders de kabel van die kring telt. Hoofdstuk 2
C.4 Punt 4 van kring C. Hetzelfde nummer staat bij het toestel op het situatieschema. Hoofdstuk 5
→ IR1 Verwijzing naar impulsrelais IR1: de drukknop stuurt het relais, het relais schakelt de lampen. Hoofdstuk 5
Reserve (leeg) Een automaat zonder aangesloten toestellen. Hoofdstuk 4
gaat verder op blad 2 De voedingsrail loopt door op het volgende blad. Hoofdstuk 1

Inhoud

  1. 1

    De opbouw, van aansluiting tot uitgang

    Aansluiting, hoofdschakelaar, differentiëlen, automaten, kringen en uitgangen, in de volgorde waarin ze op het schema staan.

  2. 2

    Notaties bij een kring en een beveiliging

    Kabeltype, brandklasse, geleiders en sectie, polen, karakteristiek, kaliber, fase en kA: wat elke aanduiding betekent.

  3. 3

    Differentiëlen en wat eronder hangt

    Gevoeligheid, type AC, A, F of B, selectief schakelen en welke kringen achter welke differentieel horen.

  4. 4

    Van verdeelbord naar eendraadschema

    Een bestaande verdeelkast inventariseren en die gegevens omzetten in een leesbaar schema.

  5. 5

    Kringcodes en het verband met het situatieschema

    Hoe kringletters en puntnummers het eendraadschema aan het grondplan koppelen.

  6. 6

    Fouten, laag per laag

    Per laag van het schema, van de kabels tot het titelblok: wat er vaak mis is, of het schema of de installatie fout is, en hoe je het rechtzet.

  7. 7

    Nazicht, blad per blad

    Achtentwintig controlepunten in de volgorde waarin je over het blad gaat, elk met het hoofdstuk waar het uitgelegd wordt. Over de conformiteit beslist de keurder.

Daarna: de vraagbaak, met korte antwoorden per aanduiding.

Waar je begint

Je moet een bestaand schema lezen

Begin bij de opbouw om de volgorde op het blad te kennen, en houd de notaties erbij om de aanduidingen te ontcijferen. Gaat het om een kring die uitvalt, lees dan ook het hoofdstuk over differentiëlen.

Je stelt zelf een schema op

Volg van verdeelbord naar eendraadschema voor de inventaris en de volgorde van tekenen, en de kringcodes om het schema aan het grondplan te koppelen.

De keuring komt eraan

Lees de fouten, laag per laag, en loop daarna het schema na met de 28 punten van het nazicht. Over de conformiteit van de installatie beslist de keurder.

Wat dit naslagwerk wel en niet is

Het naslagwerk beschrijft hoe een eendraadschema voor een woning in België opgebouwd is en hoe je het leest, zoals dat in de praktijk gebeurt. Het is geen tekst van het AREI en geen juridisch advies. Waar een keuze afhangt van de installatie zelf, zoals de juiste sectie voor een lange leiding of het type differentieel voor een bepaald toestel, staat dat erbij. Wat een symbool precies voorstelt, vind je in de legende op eendraads.be; hier gaat het over de opbouw en de aanduidingen ernaast.

De figuren komen uit het eendraadschema van een voorbeelddossier: een villa met een hoofdbord en een onderverdeelbord in de kelder. Namen en adressen in dat dossier zijn verzonnen.

Begrippen

Aansluiting
Het punt waar de installatie aan het net van de netbeheerder hangt, met de teller en de beveiliging van de netbeheerder. Hoofdstuk 1
Automaat
Beveiliging die een kring uitschakelt bij overbelasting of kortsluiting. Op het schema met kaliber, karakteristiek en polen, bijvoorbeeld C16A en 2P. Hoofdstuk 2
Brandklasse (CPR)
Europese klasse voor het brandgedrag van een kabel, zoals Cca of Eca. Kabels van na midden 2017 dragen ze op de mantel, oudere meestal niet; is ze gekend, dan staat ze mee in de kabelnotatie. Hoofdstuk 2
Cascade
Differentiëlen die achter elkaar staan: een algemene differentieel voedt er een of meer met een kleinere gevoeligheid. Hoofdstuk 3
Differentieelschakelaar
Schakelt af wanneer een deel van de stroom niet langs de normale weg terugkeert, bijvoorbeeld via een defect toestel naar de aarde. Hoofdstuk 3
Differentieelautomaat
Eén toestel dat een automaat en een differentieel combineert. Op het schema geldt het voor de kring erachter als differentieel. Hoofdstuk 3
Eendraadschema
Schema dat elke kring met één lijn tekent, hoeveel geleiders er ook in de kabel zitten, van de aansluiting tot de laatste uitgang.
Fase (L1, L2, L3)
In een driefasige installatie de fase waarop een eenfasige kring aangesloten is. Staat naast de automaat. Hoofdstuk 2
Gevoeligheid
De foutstroom waarbij een differentieel afschakelt, uitgedrukt in mA, zoals 300 mA of 30 mA. Hoofdstuk 3
Karakteristiek
De uitschakelkromme van een automaat: B, C of D. Ze bepaalt hoe snel de automaat reageert op een korte stroompiek. Hoofdstuk 2
Kortsluitvermogen (kA)
De grootste kortsluitstroom die een beveiliging nog veilig kan onderbreken, bijvoorbeeld 3 kA of 6 kA. Hoofdstuk 2
Kring
Een groep toestellen die samen achter één beveiliging hangen. Op het schema één verticale lijn met een eigen letter. Hoofdstuk 1
Kringcode
De letter (A, B, C ... AA, AB) waarmee een kring op het eendraadschema, het situatieschema en in de verdeelkast benoemd wordt. Hoofdstuk 5
Onderverdeelbord
Een tweede verdeelkast die vanuit het hoofdbord gevoed wordt, met eigen differentiëlen en kringen. Hoofdstuk 1
Polen
Het aantal geleiders dat een beveiliging onderbreekt: 1P, 1P+N, 2P, 3P, 3P+N of 4P. Hoofdstuk 2
Puntnummer
De code van een toestel binnen een kring, zoals C.4: kring C, punt 4. Hetzelfde nummer staat op het situatieschema. Hoofdstuk 5
Reservekring
Een automaat zonder aangesloten toestellen. Op het schema staat hij met zijn kaliber en polen, maar zonder verbruikers. Hoofdstuk 4
Sectie
De doorsnede van een geleider in mm², zoals 1,5, 2,5 of 6 mm². Bepaalt mee welke automaat de kring mag beveiligen. Hoofdstuk 2
Selectief (type S)
Een vertraagde differentieel. Hij hoort bovenaan een cascade, zodat bij een fout eerst de differentieel eronder afschakelt. Hoofdstuk 3
Situatieschema
Het grondplan met de plaats van elk toestel en de kring waarop het aangesloten is. Hoofdstuk 5
Verdeelkast
De kast waarin de beveiligingen van alle kringen samenkomen, ook verdeelbord genoemd. Hoofdstuk 4