Hoofdstuk 5
Kringcodes en het verband met het situatieschema
Een lichtpunt op het grondplan en een aftakking op het eendraadschema zijn hetzelfde toestel, op twee bladen. Wat ze aan elkaar koppelt, is een code van een letter en een nummer. Dit hoofdstuk legt uit hoe die codes opgebouwd zijn en waar ze nog terugkomen.
Van een lichtpunt naar zijn automaat
Neem een lichtpunt op de verdieping van het voorbeelddossier dat niet meer brandt. Op het grondplan staat er C.7 naast, en die twee tekens volstaan. De C is de kring: op het eerste blad van het eendraadschema staat kring C met zijn automaat, C16A · L3, op de rail van de algemene differentieel A. De 7 is het punt: de zevende aftakking op de lijn van kring C, met het lichtpunt en de schakelaar die het bedient.
De weg terug gaat net zo. Wie op het eendraadschema bij kring C een punt ziet en wil weten in welke ruimte het zit, zoekt dezelfde code op het grondplan. Elk toestel draagt op beide bladen dezelfde code: de letter van de kring en een volgnummer.
Kringletters
Elke kring krijgt een letter, in de volgorde waarin de automaten op de rail staan. Na Z gaat de reeks verder met dubbele letters: AA, AB, AC. In het voorbeelddossier lopen de codes zo van A tot AN, over het hoofdbord en het onderverdeelbord samen.
Gebruik een letter maar één keer in het hele dossier. Heeft een onderverdeelbord zijn eigen kringen, laat de letters dan doorlopen in plaats van opnieuw bij A te beginnen. Zo wijst elke code naar precies één kring, waar je ook kijkt.
De differentiëlen krijgen ook een code, maar die staat los van de kringen: Diff A, Diff B. Op het schema lees je ze altijd met het woord Diff ervoor, zodat ze niet met een kring verward worden.
Puntnummers
Binnen een kring krijgt elke aftakking een volgnummer achter de letter: C.1, C.2, C.3. Op het eendraadschema staat dat nummer bij de aftakking en bij elk symbool erop. Toestellen die bij elkaar horen, delen een nummer: een schakelaar en het lichtpunt dat hij bedient, of twee schakelaars van een wisselschakeling met hun lamp.
In de figuur zie je dat bij kring C. Op punt C.4 staan een schakelaar, een lichtpunt en een tweede schakelaar: een lamp die je van twee plaatsen bedient. Op punt C.1 staat een schakelaar met een lichtpunt en een ledstrip; die ledstrip draagt zijn eigen nummer, C.2, omdat hij een apart toestel is.
De nummering loopt van onder naar boven, in de volgorde waarin de toestellen aan de kring hangen of waarin je ze in de woning tegenkomt. Belangrijker dan de volgorde is dat elk nummer uniek is binnen de kring.
Dezelfde codes op het grondplan
Op het situatieschema staat naast elk symbool de code die het op het eendraadschema heeft. Daardoor kan een keurder de twee schema's tegen elkaar leggen. Een code die maar op één van beide voorkomt, wijst op een vergeten toestel of een tikfout, en blijft een open vraag in het dossier, ook als de installatie zelf in orde is.
Hoe je het grondplan zelf opbouwt en de symbolen per ruimte plaatst, wordt stap voor stap uitgelegd op situatieschema-tekenen.be.
Dezelfde codes in de verdeelkast
De derde plaats waar de codes thuishoren, is de verdeelkast zelf. Een etiket met de letter en de naam van de kring bij elke automaat, en de code bij elke differentieel, maakt het schema bruikbaar voor de bewoner. Valt er een automaat uit, dan leest hij op het etiket welke kring het is en vindt hij die op het schema terug.
Verwijzingen tussen kringen
Soms bedient een toestel iets dat het zelf niet voedt. In het voorbeeld staan vijf drukknoppen op een stuurkring, getekend als een onderbroken lijn. Bij elke drukknop staat → IR1: de knop stuurt impulsrelais IR1. Het relais schakelt een reeks lampen, die op het schema een eigen tak vormen met de codes A-IR1.1 tot A-IR1.6. Stuurkring en relais hangen hier allebei achter automaat A.
Het relais is de scheiding tussen bedienen en schakelen: de drukknoppen geven enkel een puls aan de spoel, het contact van het relais schakelt de lampen. Omdat die twee kanten gescheiden zijn, mag een bediening via een relais of contactor ook iets schakelen dat aan een andere automaat hangt. Een gewone schakelaar mag dat niet: hij onderbreekt de stroom van de lamp zelf, en na het uitschakelen van haar eigen automaat hangt de lamp dan nog aan de andere kring. Staat dat zo op een schema, dan hoort de schakelaar op de kring van de lamp, of er komt een relais tussen.
Bij een wijziging
Komt er een kring bij, of verhuist een stopcontact naar een andere kring, dan pas je beide schema's aan, en het etiket in de kast. Een nieuwe kring krijgt een letter die nog niet gebruikt is; bestaande codes schuif je niet op, anders kloppen de etiketten en de oude documenten niet meer. Zet de datum van de wijziging in het titelblok.