Hoofdstuk 4
Van verdeelbord naar eendraadschema
Bij een bestaande woning begint een eendraadschema niet op papier maar aan de verdeelkast. Wie eerst alles noteert en pas daarna tekent, maakt minder fouten. Dit hoofdstuk beschrijft die inventaris in acht stappen.
Stap 1: veilig beginnen
Veel kan je aflezen zonder de kast te openen: de opschriften op de toestellen, de etiketten bij de automaten en de plaats van de differentiëlen. Voor alles wat achter een afdekplaat zit, zoals de kabels en de bedrading tussen de toestellen, moet de kast open. Werk aan een open verdeelkast enkel als je daarvoor bevoegd bent en de nodige maatregelen neemt; laat het anders over aan een elektricien.
Neem een blad of een tabel mee (zie onderaan) en een stopcontacttester. Fotografeer de kast voor je begint, met de afdekplaat en zonder. Die foto's helpen later bij twijfel.
Stap 2: de aansluiting noteren
Begin bij de teller. Noteer de netbeheerder, of de aansluiting eenfasig of driefasig is, het kaliber en de polen van de beveiliging van de aansluiting en de kabel naar de verdeelkast. Zoek de aardverbinding en de hoofdequipotentiale verbinding en noteer hun sectie. Weet je het kortsluitvermogen aan de aansluiting, noteer het dan ook: het bepaalt welk kortsluitvermogen de beveiligingen nodig hebben.
Stap 3: de differentiëlen noteren
Noteer per differentieel wat op het toestel staat: gevoeligheid in mA, nominale stroom, polen en type. Het type herken je aan het opschrift of aan een klein symbool op de voorkant; een S betekent dat hij selectief is. Geef elke differentieel een code (A, B, C ...) en noteer welke automaten hij voedt. Volg daarvoor de kam of de draden die van de differentieel naar de automaten lopen.
Kijk ook na of de volgorde klopt: de algemene differentieel bovenaan, de differentiëlen van 30 mA erachter. Zie je het omgekeerde, noteer het dan zoals het is en meld het; teken geen installatie die er niet is.
Stap 4: de automaten noteren
Werk rij per rij, van links naar rechts. Op elke automaat staat de karakteristiek en het kaliber samen, bijvoorbeeld C16 of B20. Noteer ook de polen en het kortsluitvermogen; dat laatste staat meestal in een klein kader op de voorkant, als 3000, 4500 of 6000 (in ampère). Bij een driefasige installatie noteer je de fase waarop elke eenfasige automaat aangesloten is.
Een automaat zonder iets erachter is een reserve. Noteer hem toch: hij staat in de kast, dus hij staat ook op het schema, met zijn kaliber en polen en de vermelding reserve.
Stap 5: de kabels noteren
Op de mantel van een kabel staan meestal het type, het aantal geleiders en de sectie gedrukt. Lees dat af bij de verdeelkast, waar de kabel binnenkomt. Kabels van na midden 2017 dragen daarnaast hun brandklasse volgens de CPR, zoals Cca of Eca. In een bestaande woning liggen vaak oudere kabels zonder die klasse: noteer dan wat er wel op staat en schrijf erbij dat de klasse onbekend is. Bij enkele aders in een buis tel je de aders en meet of lees je de sectie. Noteer ook hoe de leiding geplaatst is: in een buis, in of op een wand, ondergronds.
Kan je een kabel niet aflezen, schrijf dan niet de sectie of de klasse die je verwacht. Een gok op het schema is erger dan een open vraag, want wie later aan de kring werkt, vertrouwt op wat er staat.
Stap 6: de kringen aftasten
Schakel één automaat uit en ga de woning rond. Noteer welke lichtpunten niet meer branden en welke stopcontacten spanningsloos zijn; dat laatste test je met de stopcontacttester. Vergeet de vaste toestellen niet, zoals ventilatie, boiler, kookplaat en poortmotor. Zet de automaat terug aan en herhaal voor de volgende.
Werk per ruimte en noteer meteen waar elk toestel zit. Dat lijstje is de basis van het situatieschema, waarop elk toestel met zijn code terugkomt.
Stap 7: codes geven
Geef de kringen een letter in de volgorde waarin ze op de rail staan: A, B, C, en na Z verder met AA, AB. Binnen een kring krijgt elk toestel of elke groep toestellen een nummer na de letter, zoals A.1 en A.2. Een schakelaar en het lichtpunt dat hij bedient, horen bij hetzelfde nummer. Hoe die codes het eendraadschema met het grondplan verbinden, staat in hoofdstuk 5.
Zet dezelfde letters op etiketten in de verdeelkast. Een schema waarvan de codes niet terug te vinden zijn in de kast, helpt niemand.
Stap 8: het schema tekenen
Teken eerst de rail: aansluiting links, dan de hoofdschakelaar, de algemene differentieel en de groepen van 30 mA. Zet de automaten op de rail in dezelfde volgorde als in de kast. Teken daarna per kring de verticale lijn met de toestellen van onder naar boven, en schrijf de kabel, de naam en de gegevens van de automaat erbij. Past het niet op één blad, laat de rail dan doorlopen naar een tweede blad met een duidelijke verwijzing.
Vul ten slotte het titelblok in: wie het schema opstelde, voor wie, het adres van de installatie en de datum. Loop het geheel na met het nazicht van hoofdstuk 7 voor je het afgeeft.
Een inventaris als tabel
Een tabel per kring houdt de inventaris overzichtelijk. Zo ziet een deel ervan eruit voor de keukengroep van het voorbeelddossier (differentieel B van 30 mA, type A):
| Kring | Automaat | Polen, kA | Fase | Kabel | Toestellen |
|---|---|---|---|---|---|
| G | C32A | 2P, 3 kA | L1 | XVB Cca 3G6 mm² | kookplaat |
| H | C20A | 2P, 3 kA | L2 | XVB Cca 3G2,5 mm² | oven |
| I | C20A | 2P, 3 kA | L3 | XVB Cca 3G2,5 mm² | vaatwasmachine |
| J | C20A | 2P, 3 kA | L1 | XVB Cca 3G2,5 mm² | koelkast, diepvriezer |
| K | C20A | 2P, 3 kA | L2 | XVB Cca 3G2,5 mm² | stopcontacten werkblad |
Met zo'n tabel ligt het tekenen grotendeels vast. Elke rij wordt een verticale lijn, elke kolom een aanduiding naast die lijn.