Naar de inhoud
eendraadschema-maken.be Naslagwerk

Hoofdstuk 1

De opbouw, van aansluiting tot uitgang

Elk eendraadschema volgt dezelfde volgorde als de stroom: van de aansluiting via de hoofdschakelaar en de differentiëlen naar de automaten, en vandaar per kring naar de toestellen. Wie die volgorde kent, vindt op elk schema snel zijn weg.

SUPCON BV · verschenen op

Waarom één lijn per kring

Een kring voor stopcontacten bestaat uit een kabel met een fasegeleider, een nulgeleider en een beschermingsgeleider. Een driefasige kring heeft er vijf, of vier als er geen nul meeloopt. Zou je elke geleider apart tekenen, dan werd het schema van een gewone woning een dicht kluwen. Het eendraadschema vat daarom elke leiding samen in één lijn en schrijft de rest erbij: het aantal geleiders, de sectie en het kabeltype.

Het gevolg is dat het schema geen bedradingsplan is. Je ziet welke beveiliging welke toestellen voedt, met welke kabel, en welke differentieel daarboven staat. Hoe de draden in een schakelaar of doos precies aangesloten zijn, staat er niet op. Voor de keuring, en voor elke elektricien die later aan de kast komt, is dat net de informatie die telt.

De aansluiting

Uiterst links op het eerste blad staat de aansluiting. Daar komt de installatie binnen: de teller van de netbeheerder, de beveiliging van de aansluiting en de kabel naar de verdeelkast. In het voorbeelddossier staat in dat blok de netbeheerder, de teller (kWh), een hoofdautomaat van 40 A, driepolig met nul (3P+N) met een kortsluitvermogen van 3 kA, en de voedingskabel EXVB Eca 4×10 mm².

In hetzelfde blok staat de aarding: het aardingssymbool met de aardverbinding naar de aardingslus en de hoofdequipotentiale verbinding, elk met hun sectie. Op een schema van een oudere woning ontbreken die gegevens soms; dan noteer je wat je ter plaatse vaststelt.

Detail van de aansluiting: teller (kWh), hoofdautomaat 40A 3P+N 3kA met voedingskabel EXVB Eca 4x10 mm², aardingslus en EVP, gevolgd door differentieel A, 300 mA type A selectief, en de automaat van kring A, C16A op L1.
Van de teller tot de eerste automaat: hoofdautomaat (40 A, 3P+N, 3 kA), differentieel A (300 mA, type A, selectief, 40 A, 4P, 3 kA) en kring A (C16A op L1, 2P, 3 kA).

De hoofdschakelaar

Na de aansluiting volgt de hoofdschakelaar: het toestel waarmee je de hele installatie spanningsloos zet. In veel Belgische woningen doet de algemene differentieel dat werk en staat er dus geen apart toestel. In het voorbeeld zit er vóór de algemene differentieel nog een hoofdautomaat, binnen het blok van de aansluiting.

Teken de hoofdschakelaar altijd, ook als hij samenvalt met de differentieel. Wie het schema leest, moet kunnen zien waar de installatie in één beweging uitgeschakeld wordt.

De differentiëlen

Op de voedingsrail volgt de algemene differentieel, met een gevoeligheid van hoogstens 300 mA. Elke kring hangt erachter, rechtstreeks of via een tweede differentieel van 30 mA. In het voorbeeld is dat differentieel A: 300 mA, type A, selectief, met een nominale stroom van 40 A, vierpolig.

De differentiëlen van 30 mA staan als aparte groepen op de rail. Elke groep heeft een code (B, C, D ...) en voedt een reeks automaten. Op het blad zie je dat als een eigen rail die van de hoofdrail aftakt, met de differentieel aan het begin en de automaten erop. Welke kringen achter welke differentieel horen, en waarom een differentieel die andere voedt selectief hoort te zijn, staat in hoofdstuk 3.

Automaten en kringen

Elke kring begint bij een automaat. Op het schema staat die als een schakelsymbool aan de voet van een verticale lijn. Naast de automaat lees je de code van de kring, het kaliber met de karakteristiek, de fase en daaronder de polen en het kortsluitvermogen: A · C16A · L1 en 2P · 3kA.

De verticale lijn erboven is de kring. Langs de lijn staat de kabel (bijvoorbeeld XVB Cca 3G1.5 mm²), een schuine streep met het aantal geleiders en de naam van de kring, zoals Verlichting hal, bureau, garage. Een goede naam zegt in een paar woorden welke ruimtes of toestellen erop zitten; daarmee vindt de bewoner later de juiste automaat terug.

Volgorde op het blad, van links naar rechts en van onder naar boven
PlaatsOnderdeelTypische aanduiding
1Aansluiting met tellernetbeheerder, kWh, hoofdzekering of hoofdautomaat, voedingskabel
2Hoofdschakelaarkaliber en polen, of samen met de algemene differentieel
3Algemene differentieel300mA · Type A · S, nominale stroom, polen
4Differentiëlen van 30 mAcode, 30mA · Type A of B
5Automaatkringcode, C16A · L1, 2P · 3kA
6Kringnaam, kabel, aantal geleiders
7Uitgangensymbool en puntnummer, zoals A.3

Uitgangen, punten en stuurkringen

Op de verticale lijn van een kring staan de uitgangen: stopcontacten, lichtpunten, schakelaars en vaste toestellen zoals een kookplaat of een boiler. Elke uitgang is een korte horizontale aftakking met het symbool en een puntnummer. Toestellen die samen bediend worden, zoals een schakelaar met het lichtpunt dat hij aanstuurt, staan op dezelfde aftakking. De nummering loopt van onder naar boven: A.1 onderaan, A.7 bovenaan.

Sommige kringen schakelen niet zelf maar sturen iets aan. Een stuurkring met drukknoppen voor een impulsrelais staat in het voorbeeld als een onderbroken lijn; bij elke drukknop staat → IR1, de code van het relais. Het relais vormt met de lampen die het schakelt een eigen tak, A-IR1, achter dezelfde automaat A. Iets gelijkaardigs geldt voor een domoticamodule: de module hangt achter een automaat, en per uitgang van de module volgt een eigen reeks verbruikers.

Een omkaderd cijfer naast een toestel verwijst naar een apart blad met de specificaties, bijvoorbeeld van een laadpaal of een omvormer. Zo blijft het schema zelf licht en staan de technische gegevens toch in het dossier.

Meer dan één blad

Bij een groter bord loopt de voedingsrail over meerdere bladen. Het einde van een blad krijgt een pijl met gaat verder op blad 2, het volgende blad begint met vervolg van blad 1, telkens met de code van de differentieel waaronder de rail doorloopt. Zo kan je de rail van blad tot blad volgen zonder een kring kwijt te raken.

Elk blad heeft onderaan een titelblok: wie het schema opstelde, voor welke klant en op welk adres, de datum en het bladnummer. In het voorbeeld staan daar ook de spanning (3×400V+N) en het kortsluitvermogen aan de aansluiting (Icc max < 3kA). Wat op een blad staat, moet ook afgedrukt leesbaar blijven: geen opschrift dat over een lijn of een symbool valt.

Een onderverdeelbord

Een tweede verdeelkast, bijvoorbeeld beneden in de kelder of in een bijgebouw, krijgt een eigen deel van het schema. Op het hoofdbord staat ze als een gewone kring met een voedingsautomaat en een kabel; in het voorbeeld is dat automaat AM van 40 A met de kabel XVB Cca 5G10 mm², met als naam Voeding verdeelbord kelder. Op het blad van het onderverdeelbord begint de rail met die voeding, en daarna volgen de eigen differentiëlen en kringen.

Onderverdeelbord in de kelder, gevoed vanuit het hoofdbord via voedingsautomaat AM van 40A. Differentieel H, 30 mA type A, voedt twee kringen voor een warmtepomp; differentieel I, 30 mA type B, voedt de kring van de omvormer en de thuisbatterij.
Een onderverdeelbord: voeding vanuit het hoofdbord (automaat AM, 40 A), daarna eigen differentiëlen H (30 mA, type A) en I (30 mA, type B) met hun kringen.

Geef de kringen van een onderverdeelbord codes die niet botsen met die van het hoofdbord. In het voorbeeld lopen de letters gewoon verder (AJ, AK, AL), zodat elke code in het hele dossier één kring aanwijst.